René
Even was hij weer terug in de velden. “In mijn jeugd hielp ik vaak mijn tante op het land. Die geur van aarde, die weidsheid en het gevoel van rust… dat is altijd gebleven,” zegt René de Bruijn, psychiater en zorgdirecteur bij Mondriaan. Terwijl we samen over het terrein lopen, op zoek naar een geschikte plek voor de foto’s, komt die herinnering plotseling op en haalt hem even weg van de drukte van alledag.
Het is diezelfde rust die hij zoekt in de zorg, waar het soms moeilijk is om het menselijke contact niet te verliezen. “Goede zorg begint bij de ontmoeting met een mens – niet bij een protocol,” zegt hij. Deze woorden zijn voor René meer dan een filosofie – ze vormen de kern van hoe hij werkt in een wereld waarin regels en systemen steeds meer de toon aangeven.
Van hypotheek naar spreekkamer
Soms leidt het pad langs omwegen, om je uiteindelijk tóch te brengen waar je hoort te zijn. Dat geldt zeker voor René, inmiddels ruim twintig jaar psychiater. Zijn carrière begon met cijfers en grafieken: hij studeerde economie en werkte bij een bank. Het leek een stabiele keuze, maar diep van binnen wist hij: dit is niet het pad waar ik later met trots op terugkijk. “Ik voelde dat ik dichter bij mensen wilde zijn, niet bij hypotheken,” vertelt hij.
Die innerlijke onrust liet hem niet los en uiteindelijk waagde hij de sprong: alsnog geneeskunde studeren. Hij wilde huisarts worden maar dat liep anders.
Keerpunt
Een belangrijk keerpunt kwam tijdens zijn coschappen. “Toen ik eenmaal in de kliniek liep, voelde ik meteen: dit klopt. Hier gaat het om.” René ontmoette psychiater Joost à Campo – ze raakten direct bevriend en hun gesprekken maakten diepe indruk.
“Hij liet me zien wat psychiatrie écht is: niet alleen het behandelen van een diagnose, maar het werkelijk ontmoeten van een mens in een kwetsbare periode in zijn leven. Dat was een openbaring. Ik dacht: dít is het vak dat ik wil doen.”
Sindsdien is hij gebleven. Geen hypotheken meer, maar verhalen van mensen. Geen financiële winst, maar menselijke waardigheid. Het was het begin van een roeping die hem nooit meer heeft losgelaten.
Tegenwoordig combineert René zijn werk als psychiater met de rol van zorgdirecteur – een functie waarin zijn economische achtergrond goed van pas komt.
Patiënten voelen dondersgoed of je er écht voor ze bent
Nuchtere deskundigheid
Wat René sindsdien leerde, is dat psychiatrie veel meer is dan medische kennis of protocollen. “Een behandeling is pas écht effectief als er een goede klik is tussen patiënt en hulpverlener,” zegt hij. Het gaat om de verbinding, het écht zien van de ander. Dat betekent niet dat je alleen maar vriendelijk moet knikken of meepraten. “Patiënten voelen dondersgoed of je er écht voor ze bent.
Goede zorg doet iets met een mens: het kan het verschil maken tussen je verloren voelen, of je gezien weten. Soms valt er letterlijk een last van iemands schouders, puur omdat hij voelt: ik word serieus genomen.
Daarom, benadrukt René, moet een hulpverlener meer zijn dan technisch bekwaam. “Je moet je vak verstaan, maar minstens zo belangrijk is dat je iemand in zijn waarde laat. Grenzen stelt, zorgzaam handelt met nuchtere deskundigheid. Oftewel: ook weten wanneer je iets níet weet."
Zware momenten
Wie al twintig jaar in de psychiatrie werkt, kent ook de donkere kanten van het vak. René vertelt eerlijk over de impact van suïcides.
“Dat gaat je niet in de koude kleren zitten. Je eerste reflex is: wat hebben we verkeerd gedaan? Waar heb ík iets gemist?” Dat gevoel van schuld is niet uniek voor hemzelf. “Veel hulpverleners voelen dat ze gefaald hebben als iemand zich van het leven berooft. Terwijl we weten: suïcides horen helaas bij ernstige psychische ziekten. Toch voelt het als een persoonlijke nederlaag.”
Daar komt nog de druk van buitenaf bij. “Als iemand overlijdt aan kanker, zegt niemand dat de internist gefaald heeft. Maar als iemand overlijdt door suïcide, vraagt de buitenwereld meteen: hoe kan het dat jullie dit niet hebben gezien? Dat verschil is groot – en zwaar.
Elke suïcide wordt onderzocht, niet vanuit schuld, maar vanuit de vraag: wat kunnen we hiervan leren? Toch voelt het vaak alsof de maatschappij automatisch schuldigen zoekt. Dat blijft knagen. Alsof we alles zouden kunnen voorkomen. Maar dat is niet de realiteit.”
Glansmomenten
Gelukkig zijn er ook volop momenten die het vak glans geven. Voor René is dat duidelijk: “De energie zit in de ontmoetingen met patiënten én het teamwork. Soms zie je de meest bizarre beelden of hoor je iemand wonderlijk redeneren, terwijl hij ondertussen heel nuchter een kop koffie inschenkt. Dat contrast vind ik prachtig. Het maakt ons vak uniek.”
Humor speelt daarbij een grote rol. “Bijna ieder gesprek bevat wel een lach. Soms is humor het enige dat iemand nog overeind houdt. Natuurlijk moet je aanvoelen of het kan – iemand die zwaar depressief is, kan een grap niet verdragen – maar vaak opent het juist een deur.”
Ook binnen het team is humor essentieel. “We gebruiken het om de zwaarte draaglijk te maken. Zonder humor zou je dit werk niet volhouden.”
Teamwork in crisissituaties
René herinnert zich talloze crisissituaties. “Je weet vaak niet wat je aantreft: een agressieve patiënt, een hond die losloopt in het huis, een familie die in paniek is. Dan moet je in seconden inschatten: hoe stel ik me op? Formeel of juist amicaal? Streng of zacht?”
Altijd is er teamwork. “We verdelen de rollen, net als agenten: de een streng, de ander verbindend. Het is geen spelletje, maar een manier om de situatie hanteerbaar te maken. En dat werkt alleen als je elkaar blindelings aanvoelt.”
Het is in die intensiteit dat René het vak mooi vindt. “Het vraagt alles van je als mens, niet alleen als professional. Je moet steeds opnieuw afstemmen, intuïtief en tegelijk doordacht.”
Het is een zwaar vak, maar ook een ongelooflijk mooi vak
Een vak in beweging
De psychiatrie is de afgelopen twintig jaar sterk veranderd. “Toen ik begon, werd iemand bij binnenkomst soms direct gesepareerd en vastgebonden. Nu is de benadering veel humaner. Je ontvangt iemand, probeert te de-escaleren, biedt een kop koffie aan. Dat is een enorme vooruitgang: veel meer gericht op waardigheid en respect.”
Toch waarschuwt René voor doorschieten. “Er zijn bewegingen die zeggen: de psychiatrie moet helemaal separeervrij worden. Maar soms is afzondering juist de meest menselijke keuze – als iemand zo verward of agressief is dat prikkels alleen maar meer schade doen. Het gaat erom dat je maatwerk levert. Niet te snel grijpen naar dwang, maar ook niet naïef doen alsof het nooit nodig is.”
Ook naar de grote beleidskeuzes kijkt hij met gemengde gevoelens. “We hebben in Nederland dertig procent van de bedden afgebouwd, omdat iedereen zogenaamd thuis of in de wijk kon herstellen. Voor veel mensen werkte dat, maar er blijft altijd een groep die bescherming nodig heeft. Voor hen is een plek op een terrein of instelling geen nederlaag, maar een levensvoorwaarde. Daar moeten we eerlijk over zijn.”
Vooruitgang
Wat betreft behandelingen zijn er nieuwe mogelijkheden – van ketamine tot Virtual Reality bij angststoornissen – maar René blijft realistisch. “De grote doorbraken zijn schaars. Veel oude middelen en therapieën werken nog steeds het best. De vooruitgang zit misschien nog wel meer in de manier waarop we mensen benaderen: met meer waardigheid.”
Die verschuiving noemt hij misschien wel de grootste winst van zijn vakgebied. “We zijn echt anders gaan kijken naar patiënten: niet als een probleem dat we moeten fixen, maar als mensen die we mogen ontmoeten – met wie we samen zoeken naar herstel.”
Zorg die verder kijkt dan de diagnose
Na ruim twintig jaar is René nog steeds dankbaar dat hij destijds het roer omgooide. “Het is een zwaar vak, maar ook een ongelooflijk mooi vak. Juist de combinatie van complexiteit en persoonlijk contact maakt het zo bijzonder.”
Zijn kernboodschap is simpel maar krachtig: laat mensen in hun waarde. “Dat is de essentie. Kijk verder dan de diagnose. Wees niet alleen deskundig, maar ook mens. Zie wie iemand is, waar hij mee worstelt, wat hij nodig heeft – en durf ook duidelijke grenzen te stellen. Dáár zit de waarde van goede zorg.”
Misschien is dat wel de reden dat hij dit werk met zoveel toewijding blijft doen. “Je ziet in de psychiatrie het leven in al zijn vormen voorbijkomen: wanhoop, humor, agressie, hoop. Het is intens, maar ook rijk. Het mooiste is dat je er als mens naast mag staan.”
Bij Mondriaan kan hij die visie dagelijks vormgeven. “Ik heb hier het gevoel dat we als organisatie écht kiezen voor zorg waarin de mens centraal staat – zelfs als dat schuurt met regels of systemen. Dat geeft vertrouwen in het vak én in de toekomst van de zorg: een toekomst waarin de menselijke maat centraal blijft staan.”
Toch hoopt hij ook op meer ruimte: “Voor de ggz, voor het vak en voor onze organisatie zou ik wensen dat we meer ademruimte krijgen. Het is essentieel om niet alleen te vernieuwen, maar ook om tijd en ruimte te krijgen om écht goed te zorgen, zonder dat systemen en regels voortdurend de overhand nemen.”